ECLI:NL:CRVB:2020:2920
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep en verzoek voorlopige voorziening inzake terugvordering WIA-uitkering en boete
Verzoeker ontving een WIA-uitkering die het UWV herzag wegens vermeende inkomsten uit een hennepkwekerij, wat leidde tot terugvordering van €2.807,49 en een boete van €1.403,75. Tevens legde het UWV een maandelijkse inhouding op de uitkering op. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep tegen de terugvordering niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wees het beroep tegen de inhouding ongegrond.
In hoger beroep handhaafde verzoeker zijn standpunten dat hij geen inkomsten had uit de hennepkwekerij en dat de inhouding te hoog was gezien zijn schulden. De voorzieningenrechter oordeelde dat de rechtbank terecht het beroep tegen de terugvordering niet-ontvankelijk verklaarde en het beroep tegen de inhouding terecht ongegrond verklaarde, omdat het UWV als preferente schuldeiser correct de aflossingscapaciteit had berekend.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat geen spoedeisend belang bestond en de zaak direct kon worden afgedaan. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt geweigerd.