ECLI:NL:CRVB:2020:2941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling regularisatieverzoek sociale verzekeringswetgeving zonder bijzondere omstandigheden
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om niet mee te werken aan een regularisatieovereenkomst voor de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012. Eerder had de Raad bij uitspraak van 22 november 2018 de Svb opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met onderzoek naar bijzondere omstandigheden.
De Svb verklaarde het bezwaar gegrond voor de periode van 1 juli 2010 tot en met 29 februari 2012, maar weigerde medewerking voor de periode daarna. Appellant voerde aan dat de Svb niet bevoegd was en dat er bijzondere omstandigheden waren, zoals een nettoloonafspraak en dat het schip werd geëxploiteerd door een Duitse onderneming.
De Raad oordeelt dat de beslissingsbevoegdheid van de Svb niet meer ter discussie staat en dat de Svb terecht heeft geoordeeld dat de genoemde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen. De loonafspraken zijn een civiele kwestie en het feit dat het schip door een Duitse exploitant werd geëxploiteerd, is geen bijzondere omstandigheid.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en is er geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Sociale verzekeringsbank om mee te werken aan regularisatie over maart tot december 2012 wordt gehandhaafd.