Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2942

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2020
Publicatiedatum
26 november 2020
Zaaknummer
19/3227 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 18 Verordening (EG) nr. 987/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen weigering regularisatieovereenkomst door Sociale Verzekeringsbank

Appellant verzocht op 9 augustus 2017 de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om herziening van het besluit van 11 juni 2014, waarin de Svb weigerde een regularisatieovereenkomst te sluiten met de Luxemburgse autoriteiten over de jaren 2010 en 2011. Dit verzoek werd buiten behandeling gesteld en het bezwaar daarop ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd en het besluit niet evident onredelijk was.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn zaak vergelijkbaar was met andere uitspraken waarin de Svb een verzoek tot regularisatie niet correct had doorgezonden naar Luxemburg. De Svb verweerde zich door te stellen dat het in deze procedure ging om een verzoek om terug te komen op het besluit van 2014, waarbij geen nieuwe feiten waren aangevoerd. Tevens wees de Svb op eerdere uitspraken waarin werd bevestigd dat ook de Nederlandse autoriteit bevoegd is over regularisatieverzoeken te beslissen.

De Raad oordeelde dat het besluit van 11 juni 2014 onherroepelijk is omdat er geen rechtsmiddelen tegen zijn ingesteld. De bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Appellant had geen nieuwe feiten aangevoerd en had zijn stellingen ook in de bezwaarprocedure kunnen aanvoeren. De Raad bevestigde dat de Svb bevoegd is een standpunt over regularisatie in te nemen, ook na 1 mei 2010.

De Raad concludeerde dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van 11 juni 2014 blijft ongewijzigd.

Uitspraak

19.3227 AOW

Datum uitspraak: 26 november 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
11 juni 2019, 18/2147 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H. Weermeijer hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Op 16 oktober 2020 heeft mr. Weermeijer nog een nader stuk ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Namens appellant is
mr. Weermeijer verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.P. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. Op 9 augustus 2017 heeft appellant de Svb verzocht de beslissing van 11 juni 2014 te herzien. In dat besluit heeft de Svb geweigerd een regularisatieovereenkomst te sluiten met de bevoegde Luxemburgse autoriteiten met betrekking tot de jaren 2010 en 2011. Met een besluit van 30 oktober 2017 is dit verzoek buiten behandeling gesteld, omdat mr. Weermeijer geen machtiging had overgelegd. Het bezwaar hiertegen is in een beslissing van 13 maart 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De Svb heeft hierbij overwogen dat alsnog een machtiging is overgelegd, maar dat er geen aanleiding bestaat het besluit van 11 juni 2014 te herzien.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat appellant nieuwe feiten of omstandigheden, als bedoeld in
artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, heeft aangevoerd in zijn verzoek om herziening. Naderhand tot stand gekomen rechtspraak kan niet als zodanig worden aangemerkt. Evenmin kan gezegd worden dat het besluit van 11 juni 2014 evident onredelijk is.
3.1.
In hoger beroep stelt appellant dat zijn zaak grote gelijkenis vertoont met andere uitspraken, waaronder een geding waarin mr. Weermeijer eveneens als gemachtigde is opgetreden. In dat geding heeft de Svb gesteld dat hij ten onrechte het verzoek tot regularisatie niet heeft doorgezonden naar de bevoegde Luxemburgse autoriteiten, gezien het bepaalde in artikel 18 van Pro Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009). Volgens appellant had de Svb ook zijn verzoek moeten doorzenden naar Luxemburg.
3.2.
In verweer wijst de Svb erop dat dit geding een verzoek om terug te komen van het besluit van 11 juni 2014 betreft. Tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van nieuwe feiten is namens appellant niets aangevoerd. Daarnaast stelt de Svb dat uit verschillende uitspraken van de Raad van 22 november 2018 (zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2018:3812 en ECLI:NL:CRVB:2018:3826) volgt dat ook de Nederlandse autoriteit, in casu de Svb, moet instemmen met een regularisatieverzoek. De Luxemburgse autoriteiten zijn dus niet bij uitsluiting bevoegd hierover een besluit te nemen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geding is de vraag of de Svb gehouden is terug te komen van het besluit van
11 juni 2014. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit in rechte vaststaat. Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) vloeit voort dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel is gekomen dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
4.2.
Appellant heeft bij het verzoek van 9 augustus 2017 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. In zijn verzoek heeft appellant verwezen naar uitspraken van verschillende rechtbanken, die tot het oordeel waren gekomen dat de Svb, op grond van Europees rechtelijke regelgeving, niet bevoegd zou zijn een beslissing omtrent de regularisatie te nemen. Deze stelling had appellant ook kunnen aanvoeren in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 11 juni 2014.
4.3.
Voor zover appellant met deze stelling heeft beoogd aan te geven dat het besluit van
11 juni 2014 evident onredelijk is, wordt erop gewezen dat het vaste rechtspraak is van de Raad dat de Svb, ondanks het feit dat verzoeken tot regularisatie na 1 mei 2010 ingediend hadden moeten worden bij de staat van wie gevraagd wordt de wetgeving van toepassing te verklaren, bevoegd is een standpunt over deze regularisatie in te nemen.
4.4.
Namens appellant is nog gewezen op een aantal uitspraken in, volgens hem, vergelijkbare zaken. Deze uitspraken kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat de feiten en omstandigheden niet vergelijkbaar zijn.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank het beroep terecht en op juiste gronden ongegrond heeft verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2020.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) R. van Doorn