ECLI:NL:CRVB:2020:2945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij WW-uitkering
Appellante ontving sinds oktober 2016 een WW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 1 februari 2017 omdat haar inkomsten hoger waren dan toegestaan. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Appellante voerde aan dat haar gemachtigde naliet tijdig beroep in te stellen en dat zij door emotionele omstandigheden na een operatie niet in staat was zelf tijdig te handelen. De rechtbank oordeelde echter dat de handelingen van de gemachtigde aan appellante zelf moeten worden toegerekend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad bevestigde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.