ECLI:NL:CRVB:2020:2947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen van hersteldmelding Ziektewet per 26 maart 2012
Appellante was werkzaam als verpleeghulp en administratief medewerkster en meldde zich ziek vanuit de WW op 23 december 2011. Het UWV beëindigde de Ziektewet-uitkering per 26 maart 2012 na een verzekeringsartsverklaring dat zij geschikt was voor haar administratieve werk. Appellante verzocht in 2014 om terug te komen van deze hersteldmelding, onder verwijzing naar fibromyalgie, CVS en schouderverkalking. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en vernietigde het tweede besluit, waarna de zaak werd terugverwezen. Na aanvullend onderzoek en rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank dat het beroep ongegrond was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten mede voortkomen uit lage begaafdheid, waardoor zij volledig arbeidsongeschikt zou zijn.
De Raad volgde het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen in 2012 niet zodanig waren dat appellante het eenvoudige administratieve werk niet kon verrichten. De medische gegevens en rapportages boden geen aanleiding om terug te komen op de hersteldmelding. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.