ECLI:NL:CRVB:2020:2951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als medewerker interieuronderhoud en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij slechts voor 21,09% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat zij ADL-afhankelijk was en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren, maar kon dit niet onderbouwen met medische verklaringen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel. Er was geen aanleiding tot benoeming van een onafhankelijk deskundige en het functieniveau van de geselecteerde functies was passend. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.