Appellant, werkzaam als monteur-veiligheidsman, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval in 2009. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 57%, later vastgesteld op 55 tot 65%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding af.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de medische en arbeidskundige beoordeling onjuist was, met name over de beperkingen door klachten aan linkerarm en schouder. De Raad benoemde een psychiater als deskundige en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid juist was. De aanpassingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst werden overgenomen.
De Raad concludeerde dat het UWV de WGA-vervolguitkering terecht ongewijzigd voortzette. De procedure duurde ruim drie jaar, wat de redelijke termijn overschreed zonder verwijt aan appellant. Daarom werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van € 2.000,-. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan appellant toegekend.