Appellant is sinds 2005 arbeidsongeschikt na een auto-ongeval met niet aangeboren hersenletsel en schouderklachten. Het UWV stelde in 2014 zijn arbeidsongeschiktheid vast op 65,16%, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij verdergaande beperkingen heeft dan vastgesteld.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die uitgebreid onderzoek deed, inclusief neurologisch en neuropsychologisch onderzoek. De deskundige concludeerde dat appellant op de datum in geding ernstiger beperkingen heeft dan door het UWV aangenomen, met name op het gebied van herinneren, doelmatig handelen, zelfstandig handelen, persoonlijk risico, het uiten van eigen gevoelens en werktijden.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit berust op een ontoereikende medische grondslag en vernietigde het besluit. Het UWV werd opgedragen de beperkingen opnieuw vast te stellen en de gevolgen voor de aanspraken van appellant te beoordelen. Tevens werd appellant een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om schadevergoeding op grond van wettelijke rente werd afgewezen.