Appellante was sinds 2009 arbeidsongeschikt als gevolg van lichamelijke en psychische klachten en ontving een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar uitkering per 29 september 2017. Appellante stelde dat zij geen benutbare mogelijkheden had en dat haar beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 juni 2017 waren onderschat, mede op basis van rapporten van bedrijfsarts Wijers.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de FML en de medische beoordeling. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond dat de medische informatie en het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen gaven voor een ernstigere psychische stoornis of zwaardere beperkingen dan vastgesteld.
Ook de arbeidskundige beoordeling werd onderschreven. Het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen en om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad concludeerde dat de WGA-uitkering terecht was beëindigd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.