ECLI:NL:CRVB:2020:3004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde prostitutieactiviteiten
Appellante ontvangt sinds 1 maart 2018 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een melding van de politie dat zij tegen betaling seksuele diensten zou aanbieden, startte een handhavingsmedewerker een onderzoek. Dit onderzoek leidde tot het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om het recht op bijstand met ingang van 1 maart 2018 in te trekken en de bijstandskosten van ruim €15.000 terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij slechts vijf afspraken had met klanten, waaruit zij gemiddeld €100 per keer ontving, zodat het recht op bijstand wel vastgesteld kon worden. De Raad oordeelde echter dat appellante deze stelling onvoldoende had onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Uit het dossier bleek een beeld van meer activiteiten, onder meer vijftien afspraken via één website en onduidelijkheid over andere profielen en klanten.
De Raad concludeerde dat het college terecht het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, kon vaststellen. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.