Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:301

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
13 februari 2020
Zaaknummer
18/6171 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens ontbreken hoofdverblijf op opgegeven adres

Appellante had bij het Drechtstedenbestuur bijstand ontvangen, maar het bestuur trok deze bijstand per 16 augustus 2016 en 25 oktober 2017 in en vorderde € 13.301,73 terug wegens het niet hebben van haar hoofdverblijf op het opgegeven adres.

Bewijs bestond uit een laag verbruik van water, elektriciteit en gas, waarnemingen dat de auto van appellante zelden bij haar woning stond maar vaak bij de woning van haar ex-man, en een huisbezoek waarbij de woning onbewoond leek met weinig persoonlijke spullen. Buurtonderzoeken bevestigden dat de ex-man met zijn gezin de woning bewoonde, terwijl onduidelijk was wie in de woning van appellante verbleef.

Appellante had niet voldaan aan haar inlichtingenplicht en medewerkingsverplichting, onder meer door een gesprek voortijdig te verlaten en onvoldoende onderbouwing te geven voor haar stellingen. De Raad oordeelde dat de intrekking, terugvordering en afwijzing van een nieuwe aanvraag terecht waren. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro werd onvoldoende onderbouwd geacht.

De hoger beroepen van appellante werden verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van bijstand, terugvordering en afwijzing van de aanvraag worden bevestigd wegens ontbreken hoofdverblijf op het opgegeven adres.

Uitspraak

18.6171 PW-PV, 18/6172 PW-PV, 18/6208 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2018, 18/2049, 18/2050 (aangevallen uitspraak 1) en 18/1351 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het Drechtstedenbestuur (bestuur)
Datum uitspraak: 4 februari 2020
Zitting hebben: J.N.A. Bootsma, J.L. Boxum en T.L. de Vries
Griffier: T. Ali
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.A.H. Wiekamp, advocaat. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door C.A.M. Nusteling en mr. A. Kleijn.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.
Dit betekent dat de intrekking van bijstand per 16 augustus 2016 (en dus ook die per 25 oktober 2017), de terugvordering van € 13.301,73 over de periode van 16 augustus 2016 tot en met 30 september 2017 en de afwijzing van de aanvraag van 9 november 2017 terecht zijn.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.
Intrekking en terugvordering
Het bestuur heeft met de volgende bevindingen aannemelijk gemaakt dat appellante en haar dochter hun hoofdverblijf niet hadden in de woning van appellante op het opgegeven adres:
- laag verbruik van water (11 m3, gemiddeld 90 m3), elektriciteit (461 kWh, gemiddeld 3050 kWh) en gas (478 m3, gemiddeld 1175 m3);
- bij waarnemingen tussen 21 augustus 2017 en 24 oktober 2017 is de auto van appellante maar één keer bij haar eigen woning gezien en zeer regelmatig bij de woning van haar ex‑man;
- bij huisbezoek op 25 oktober 2017 maakte de woning van appellante een onbewoonde indruk; er was wel enige kleding van appellante, maar op één slipje na geen ondergoed, er was geen wasmand, geen kleding en schoolspullen van haar dochter, er waren lege inbouwkasten, geen persoonlijke spullen, geen post en geen computer. De woning van de ex‑man was volledig ingericht en appellante heeft verklaard dat een deel van de dameskleding in een driedeurskast van haar was;
- bij een buurtonderzoek heeft een buurvrouw (A) van appellante tegenover twee handhavers verklaard niet te weten wie er in de woning van appellante woont. Een buurvrouw van de ex‑man heeft juist verklaard dat in zijn woning al ongeveer acht jaar een familie woont, man, vrouw, twee kinderen, die zij twee of drie keer in de week ziet.
Appellante heeft in strijd met haar inlichtingenverplichting niet meegedeeld dat zij haar hoofdverblijf niet had in haar woning. Zij heeft ook niet gezegd waar zij haar hoofdverblijf wel had, zodat haar recht op bijstand niet is vast te stellen.
Wat appellante heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.
Appellante heeft haar stelling dat zij meterstanden verkeerd zou hebben doorgegeven niet voldoende onderbouwd. Dat zij een paar keer per week douchte in de sportschool kan het lage watergebruik niet afdoende verklaren.
Dat appellante bij haar ex-man was om hem te verzorgen na een operatie op 17 oktober 2017 verklaart niet waarom haar auto ook daarvoor op één keer na niet bij haar woning is gezien.
Appellante was eerst niet bereid om mee te werken aan het huisbezoek. Nadat haar was verteld wat de reden was en wat de gevolgen zouden zijn voor de bijstand als zij toestemming zou weigeren, heeft zij alsnog toestemming gegeven. Zo is voldaan aan “informed consent”.
De verklaringen die appellante in de loop van de procedure heeft overgelegd van buurvrouwen A, B en C overtuigen de Raad niet van het tegendeel. Alleen al niet omdat de handschriften in de vier verschillende verklaringen van A en de vijf verschillende verklaringen van B steeds anders zijn. De verklaring van C is ongedateerd.
Tegen de terugvordering heeft appellante geen aparte gronden aangevoerd.
Afwijzing aanvraag 9 november 2017
Appellante heeft een gesprek met twee toezichthouders over haar woon- en leefsituatie naar aanleiding van haar aanvraag van 9 november 2017 voortijdig verlaten, nadat zij er uitdrukkelijk op was gewezen dat haar aanvraag dan zou worden afgewezen. Voor haar latere stelling dat zij onwel was geworden zijn geen aanknopingspunten. Het beroep op artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is onvoldoende onderbouwd.
Door haar vroegtijdig vertrek heeft appellante in strijd gehandeld met haar inlichtingen- en medewerkingsverplichting als gevolg waarvan haar recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Conclusie
De hoger beroepen slagen niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) T. Ali (getekend) J.N.A. Bootsma