ECLI:NL:CRVB:2020:301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens ontbreken hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellante had bij het Drechtstedenbestuur bijstand ontvangen, maar het bestuur trok deze bijstand per 16 augustus 2016 en 25 oktober 2017 in en vorderde € 13.301,73 terug wegens het niet hebben van haar hoofdverblijf op het opgegeven adres.
Bewijs bestond uit een laag verbruik van water, elektriciteit en gas, waarnemingen dat de auto van appellante zelden bij haar woning stond maar vaak bij de woning van haar ex-man, en een huisbezoek waarbij de woning onbewoond leek met weinig persoonlijke spullen. Buurtonderzoeken bevestigden dat de ex-man met zijn gezin de woning bewoonde, terwijl onduidelijk was wie in de woning van appellante verbleef.
Appellante had niet voldaan aan haar inlichtingenplicht en medewerkingsverplichting, onder meer door een gesprek voortijdig te verlaten en onvoldoende onderbouwing te geven voor haar stellingen. De Raad oordeelde dat de intrekking, terugvordering en afwijzing van een nieuwe aanvraag terecht waren. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro werd onvoldoende onderbouwd geacht.
De hoger beroepen van appellante werden verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand, terugvordering en afwijzing van de aanvraag worden bevestigd wegens ontbreken hoofdverblijf op het opgegeven adres.