Uitspraak
19 1750 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig dialyseverpleegkundige, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 38,32%, later verhoogd naar 65,32% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat haar beperkingen waren onderschat, met name op het gebied van mentale belastbaarheid en fysieke beperkingen zoals beeldschermwerk en zithouding. Zij verzocht ook om een deskundige benoeming. Het UWV handhaafde haar standpunt en voerde aan dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat beperkingen in mentale en fysieke belastbaarheid bevatte. De Raad vond geen aanleiding voor een deskundigenonderzoek en oordeelde dat appellante de geselecteerde functies kon vervullen. Het bestreden besluit werd ondanks een motiveringsgebrek in stand gelaten omdat dit geen nadelige gevolgen had voor appellante.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten van appellante en bevestigde het bestreden besluit. Hiermee werd het recht op een WGA-uitkering van 65,32% arbeidsongeschiktheid met ingang van 30 december 2017 definitief vastgesteld.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot toekenning van een WGA-uitkering bij 65,32% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.