Appellant was laatstelijk werkzaam als document and analyses officer en ontving een WW-uitkering. Na ziekmelding in 2010 met psychische klachten weigerde het Uwv aanvankelijk een WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. In 2016 verzocht appellant om herziening, waarna het Uwv een WGA-vervolguitkering toekende op basis van 45-55% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar stelde een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de arbeidsongeschiktheid vast op 76,81%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en het besluit op een deugdelijke medische grondslag berustte.
In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende was, onder meer vanwege het ontbreken van lichamelijk onderzoek en onvoldoende aandacht voor concentratieproblemen en narcolepsie. Ook stelde appellant dat bepaalde functies ongeschikt waren vanwege monotoon werk. Het Uwv handhaafde haar standpunt. De Raad onderschreef de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de medische grondslag, en oordeelde dat beperkingen passend waren vastgesteld. De Raad volgde appellant echter in het standpunt dat de functie productiemedewerker industrie ongeschikt was vanwege monotoon werk.
De Raad stelde vast dat er voldoende andere geschikte functies waren om de schatting van de arbeidsongeschiktheid op te baseren. Op basis van de mediane loonwaarde werd de theoretische verdiencapaciteit vastgesteld op €5,24 per uur, wat leidt tot een arbeidsongeschiktheid van 77,61%. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, stelde de arbeidsongeschiktheid en resterende verdiencapaciteit vast, en veroordeelde het Uwv in de proceskosten.