ECLI:NL:CRVB:2020:3047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering wegens onvoldoende bewijs eerste ziektedag
Appellante was werkzaam als medewerkster secretariaat en haar dienstverband eindigde per 1 januari 2017. Zij vroeg een WW-uitkering aan per 2 januari 2017, welke werd afgewezen. Later meldde zij zich per 2 januari 2017 ziek en vroeg een Ziektewetuitkering aan, die het UWV afwees omdat haar ex-werkgever eigenrisicodrager was. Appellante kon haar eerste ziektedag niet aantonen met medisch objectiveerbare stukken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat uit medische informatie niet kon worden afgeleid dat zij op 2 januari 2017 ongeschikt was voor haar maatgevende arbeid. De behandelingen en diagnoses betroffen perioden na die datum en boden onvoldoende bewijs voor arbeidsongeschiktheid op die dag.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank. Het risico van een laattijdige ziekmelding ligt bij de aanvrager. Omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij per 2 januari 2017 arbeidsongeschikt was, is de afwijzing van de Ziektewetuitkering terecht en wordt het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de Ziektewetuitkering per 2 januari 2017 bevestigd.