ECLI:NL:CRVB:2020:3048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Ziektewet-uitkering ondanks bezwaar wegens dringende redenen
Appellante was werkzaam als schoonmaakmedewerkster en meldde zich op 31 oktober 2017 ziek. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe. Na het doorgeven van werkzaamheden voor een uitzendbureau vanaf 14 mei 2018, besloot het UWV op 3 augustus 2018 een bedrag van €1.250,92 terug te vorderen over de periode 28 mei tot 29 juli 2018. Appellante maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar dit werd door het UWV ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het UWV niet op de hoogte was van de inkomsten ten tijde van de uitkeringsbetaling, maar appellante hierover wel was geïnformeerd. De rechtbank vond de terugvordering terecht en zag geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk dringende redenen had en dat het UWV haar financiële situatie kende, maar zij bracht geen nieuwe feiten of stukken in.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit. Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen. Er is ook geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.