Uitspraak
19.3904 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een politieambtenaar en hondengeleider, leed aan PTSS na een bijtincident waarbij zijn diensthond een buurvrouw ernstig verwondde. Hij verzocht om erkenning van deze PTSS als beroepsziekte. De korpschef besloot aanvankelijk de PTSS als beroepsziekte te erkennen, maar trok dit besluit later in na advies van de landelijke Adviescommissie PTSS Politie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het niet-erkende besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het laten aaien van de hond door de buurvrouw niet tot de opgedragen werkzaamheden behoorde en dat appellant onvoldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen. In hoger beroep stelde appellant dat de PTSS beroepsgerelateerd was zonder schuld of onvoorzichtigheid van zijn kant.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het incident aan onvoorzichtigheid van appellant te wijten is omdat hij geen maatregelen zoals het gebruik van een muilkorf had genomen. Hierdoor voldoet de PTSS niet aan de wettelijke definitie van beroepsziekte. Ook werd geoordeeld dat de intrekking van het eerdere besluit niet in strijd was met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De PTSS van appellant wordt niet erkend als beroepsziekte vanwege onvoorzichtigheid bij het bijtincident.