ECLI:NL:CRVB:2020:3089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering en bestuurlijke boete wegens niet-feitelijke bewoning
Appellante stond ingeschreven in de basisregistratie personen onder een adres waar ook een oom en tante als hoofdbewoners stonden ingeschreven. Zij ontving studiefinanciering berekend naar de norm van een uitwonende studerende. Controleurs voerden huisbezoeken uit en stelden vast dat appellante niet feitelijk op het adres woonde. Op basis hiervan herzag de minister de studiefinanciering en legde een bestuurlijke boete op.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de minister met het huisbezoekrapport voldoende bewijs had geleverd. Appellante leverde onvoldoende tegenbewijs, en de rechtbank vond het onwaarschijnlijk dat zij haar persoonlijke spullen elders had, mede gelet op de verklaringen van de hoofdbewoonster.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank haar uitleg onvoldoende had gevolgd en dat haar stukken onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het rapport van de controleurs een voldoende feitelijke grondslag bood. De Raad vond de verklaringen van de hoofdbewoonster en de afwezigheid van persoonlijke spullen overtuigend en verwierp het beroep. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van studiefinanciering en bestuurlijke boete worden bevestigd.