ECLI:NL:CRVB:2020:309
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na nierdonatie ondanks prostaatklachten
Appellant was werkzaam als machineoperator in de procesindustrie en meldde zich ziek vanwege een nierdonatie. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze op basis van een medisch oordeel dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd meegewogen dat medische beperkingen onvoldoende waren om arbeidsongeschiktheid aan te tonen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en verwees naar aanhoudende prostaatklachten en het ontbreken van een expliciete beoordeling van de fysieke zwaarte van het werk, met name het tillen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze gronden reeds door de rechtbank juist waren beoordeeld en onderschreef het oordeel dat appellant op de datum in geding geschikt was voor zijn functie.
De Raad nam mee dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische gegevens, waaronder informatie van de behandelend uroloog, zorgvuldig had betrokken en dat het ontbreken van expliciete vermelding van tillen niet tot een ander oordeel leidt. Ook het feit dat appellant later opnieuw een Ziektewetuitkering ontving vanwege een prostaatoperatie, stond los van de situatie op de datum in geding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid.