ECLI:NL:CRVB:2020:3105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig verzorgende IG, diende een WIA-uitkeringsaanvraag in na langdurige ziekte met diverse lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 49,16% en wees haar toe op basis van drie geschikte functies. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beoordeling, stellende dat haar beperkingen werden onderschat.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functies passend waren. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt en overhandigde aanvullende medische stukken. De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat deze stukken geen aanleiding gaven tot een ander oordeel, mede omdat de medische situatie op de datum in geding leidend is en latere verslechteringen niet relevant zijn.
De Raad benadrukte dat de beoordeling gebaseerd is op objectief medisch vastgestelde beperkingen en dat het UWV deze adequaat heeft gemotiveerd. Ook het beroep op psychische klachten en diverse aandoeningen werd door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige beoordeeld en niet als zodanig onderschat. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot vaststelling van 49,16% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.