ECLI:NL:CRVB:2020:3110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds 2010 arbeidsongeschikt na een auto-ongeval en ontving een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling door het UWV in 2018 werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en werd zijn WGA-loonaanvullingsuitkering beëindigd per 31 juli 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsarts de beperkingen onjuist had vastgesteld, met name ten aanzien van nekflexie en sociale contacten, en dat de functie van huishoudelijk medewerker niet passend zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de nekfunctie expliciet onderzocht en gemotiveerd afgeweken van eerdere rapportages. De Raad vond geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beperkingen en stelde vast dat de functies, waaronder huishoudelijk medewerker, medisch geschikt zijn. Zelfs als de functie niet passend zou zijn, blijft de mate van arbeidsongeschiktheid onder 35%, rechtvaardigend de beëindiging van de uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.