ECLI:NL:CRVB:2020:316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering per 1 januari 2016 bevestigd
Appellant, die sinds 2011 ziekgemeld is met diverse gezondheidsklachten, kreeg vanaf 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering wegens 71,23% arbeidsongeschiktheid. Na een melding van verslechtering in 2016 stelde een verzekeringsarts vast dat de beperkingen per 1 januari 2016 waren toegenomen, wat leidde tot een herbeoordeling van 68,42% arbeidsongeschiktheid. Het UWV handhaafde deze beoordeling ondanks bezwaar van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat geen aanwijzingen waren dat appellant per 1 januari 2016 meer beperkingen had dan vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 23 september 2016. Appellant voerde aan dat eerdere WSW-indicaties en een latere volledige arbeidsongeschiktheid vanaf 2017 niet waren meegewogen, maar de Raad oordeelde dat het UWV niet verplicht was oude dossiers te bewaren en de volledige arbeidsongeschiktheid in 2017 samenhing met operaties.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2016 terecht was vastgesteld op 68,42%. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 2016 terecht is vastgesteld op 68,42%.