ECLI:NL:CRVB:2020:3160

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2020
Publicatiedatum
15 december 2020
Zaaknummer
17/7124 AOW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene OuderdomswetAlgemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing AOW-pensioen wegens ontbreken van huwelijkse tijdvakken door onvoldoende bewijs uitkering echtgenoot

Appellante, geboren in 1951, was gehuwd met een echtgenoot die van 1966 tot 1972 in Nederland woonde en werkte. Na het overlijden van haar echtgenoot in 1987 vroeg zij in 2016 een AOW-pensioen aan, dat werd afgewezen omdat zij zelf niet in Nederland had gewoond of gewerkt en het huwelijk na de periode van verblijf van haar echtgenoot in Nederland was gesloten.

In hoger beroep stelde appellante dat haar echtgenoot een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving en dat zij zelf arbeidsongeschikt en zonder inkomen was. Zij overlegde documenten uit 1977 en 1987 van het voormalige GAK, maar kon niet aantonen wat de hoogte van de uitkering was tijdens het huwelijk.

De Sociale Verzekeringsbank en het UWV konden geen gegevens verstrekken over de hoogte van de uitkering, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de echtgenoot verzekerd was voor de AOW gedurende het huwelijk. De Raad oordeelde dat zonder bewijs van een uitkering van ten minste 45% arbeidsongeschiktheid geen huwelijkse tijdvakken konden worden aangenomen.

Het beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het AOW-pensioen bevestigd wegens ontbreken van bewijs van huwelijkse tijdvakken.

Uitspraak

17.7124 AOW-PV

Datum uitspraak: 10 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2017, 17/2847 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: A. van Gijzen
Griffier: R.H. Koopman
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2020. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich via een beeldverbinding laten vertegenwoordigen door
mr. S. Pinar.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Appellante is geboren in 1951 en is in 1979 getrouwd met [naam echtgenoot] , geboren in 1924. De echtgenoot van appellante heeft van 1966 tot 1972 in Nederland gewoond en gewerkt. De echtgenoot is overleden op [sterfdatum] 1987.
1.2.
Op 9 juni 2016 heeft appellante een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. De aanvraag is afgewezen bij besluit van 10 november 2016.
1.3.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 10 april 2017 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en nog niet met [naam echtgenoot] was gehuwd toen deze in Nederland woonde en werkte.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 10 april 2017 ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat appellante geen recht heeft op een pensioen ingevolge de AOW. Appellante is zelf niet verzekerd geweest voor de AOW omdat zij niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Er is geen sprake van huwelijkse tijdvakken omdat de periode waarin [naam echtgenoot] in Nederland woonde en werkte voor de datum van het huwelijk ligt. De rechtbank heeft overwogen dat aan haar oordeel niet afdoet dat appellante ziek en arbeidsongeschikt is.
3.1.
Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op een pensioen. Zij wijst er op dat haar echtgenoot een Nederlandse uitkering heeft ontvangen en dat zij geen inkomsten heeft, ziek is en meer dan 70% arbeidsongeschikt.
3.2.
De Svb heeft het standpunt ingenomen dat appellante geen recht heeft op een AOW‑pensioen.
4. De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of appellante in de periode van [trouwdatum] 1979 tot en met [sterfdatum] 1987, waarin zij gehuwd was met de echtgenoot, huwelijkse tijdvakken heeft vervuld in verband waarmee aanspraken op AOW-pensioen zijn ontstaan.
4.2.
Ter onderbouwing van haar stelling dat haar echtgenoot een Nederlandse uitkering heeft ontvangen, heeft appellante een beslissing van 31 oktober 1977 van het voormalige Gemeenschappelijk administratiekantoor (GAK) overgelegd. Daarin is [naam echtgenoot] met ingang van 7 december 1976 een uitkering ingevolge de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetten toegekend. Ook heeft zij een verzoek van 7 april 1987 van het GAK gericht aan [naam echtgenoot] , ingebracht, waarin hij is gevraagd om een bewijs van leven over te leggen.
4.3.
De Svb heeft hierover het standpunt ingenomen dat de door appellante overgelegde informatie onvoldoende is om huwelijkse tijdvakken aan te nemen, omdat niet kan worden vastgesteld wat de hoogte was van de uitkering die de echtgenoot gedurende het huwelijk ontving. De Svb is nagegaan welke informatie aanwezig is bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), die de rechtsopvolger van het GAK is. Het Uwv heeft laten weten dat niet kan worden aangegeven hoe hoog de uitkering van de echtgenoot was, omdat daarover geen gegevens bewaard zijn gebleven.
4.4.
Het standpunt van de Svb is juist. Voor de vraag of de echtgenoot op grond van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verzekerd is geweest gedurende het huwelijk met appellante is van belang of de echtgenoot een uitkering ontving naar een arbeidsongeschiktheid van 45% of hoger. Of dit het geval was blijkt niet uit de door appellante overgelegde gegevens. Ook de Svb of het Uwv beschikken niet over gegevens waaruit dit blijkt. Appellante heeft, na daartoe herhaaldelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, geen nadere gegevens verstrekt. Nu niet kan worden vastgesteld wat de hoogte van de uitkering van de echtgenoot was, is niet vast te stellen dat de echtgenoot op grond van deze uitkering verzekerd was voor de AOW gedurende het huwelijk met appellante. Daarom kan niet worden aangenomen dat appellante huwelijkse tijdvakken heeft vervuld in verband met de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de echtgenoot.
4.5.
Voor wat appellante voor het overige heeft aangevoerd, wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven. Dat appellante – naar haar zeggen – ziek en arbeidsongeschikt is en geen inkomen heeft, kan er niet toe leiden dat de Svb appellante een AOW-pensioen moet toekennen dat haar niet toekomt op grond van de AOW of het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko.
4.6.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.H. Koopman (getekend) A. van Gijzen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.