ECLI:NL:CRVB:2020:3160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-pensioen wegens ontbreken van huwelijkse tijdvakken door onvoldoende bewijs uitkering echtgenoot
Appellante, geboren in 1951, was gehuwd met een echtgenoot die van 1966 tot 1972 in Nederland woonde en werkte. Na het overlijden van haar echtgenoot in 1987 vroeg zij in 2016 een AOW-pensioen aan, dat werd afgewezen omdat zij zelf niet in Nederland had gewoond of gewerkt en het huwelijk na de periode van verblijf van haar echtgenoot in Nederland was gesloten.
In hoger beroep stelde appellante dat haar echtgenoot een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving en dat zij zelf arbeidsongeschikt en zonder inkomen was. Zij overlegde documenten uit 1977 en 1987 van het voormalige GAK, maar kon niet aantonen wat de hoogte van de uitkering was tijdens het huwelijk.
De Sociale Verzekeringsbank en het UWV konden geen gegevens verstrekken over de hoogte van de uitkering, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de echtgenoot verzekerd was voor de AOW gedurende het huwelijk. De Raad oordeelde dat zonder bewijs van een uitkering van ten minste 45% arbeidsongeschiktheid geen huwelijkse tijdvakken konden worden aangenomen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het AOW-pensioen bevestigd wegens ontbreken van bewijs van huwelijkse tijdvakken.