ECLI:NL:CRVB:2020:3169
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering en weigering ZW-uitkering na zorgvuldige beoordeling
Appellant was sinds 1996 gedeeltelijk arbeidsongeschikt wegens rugklachten en ontving een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 25 tot 35%, wat appellant betwistte. Tevens werd een Ziektewet-uitkering over eind 2016 geweigerd omdat appellant volgens het UWV geschikt was voor werk.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen beide besluiten ongegrond, oordelend dat het UWV zorgvuldig onderzoek had gedaan, waarbij verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen alle medische informatie hadden betrokken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van objectief medische beperkingen, waaronder darmproblemen en teelbalkanker, die niet waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad vond dat de medische beperkingen niet objectief waren onderbouwd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep adequaat had gemotiveerd waarom de beperkingen niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidden. Ook de passendheid van de geselecteerde functies was voldoende toegelicht. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd waarbij de beroepen ongegrond zijn verklaard.