ECLI:NL:CRVB:2020:3189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA op 53,95%
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich in februari 2016 ziek met fysieke klachten. Het UWV stelde in januari 2018 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 53,27%, later bij bezwaar verhoogd naar 53,95%. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten onvoldoende waren meegenomen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, ondersteund door aanvullende medische verklaringen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische en arbeidskundige rapporten inzichtelijk en overtuigend zijn gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitgebreid toegelicht waarom beperkingen op punten als herinneren en handelingstempo niet zijn aangenomen, mede gelet op de ernst van de depressie en medicatiegebruik. Ook de arbeidsdeskundige heeft gemotiveerd waarom de functies passend zijn.
De Raad volgt daarmee de rechtbank en bevestigt het besluit van het UWV. Er is geen aanleiding om de mate van arbeidsongeschiktheid of de geschiktheid van de functies te herzien. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 53,95%.