ECLI:NL:CRVB:2020:3191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor functie productiemedewerker industrie
Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Na beoordeling door het UWV werd hij geacht minder dan 35% arbeidsongeschikt te zijn en geschikt voor functies zoals productiemedewerker industrie. De Ziektewetuitkering werd per 16 juli 2018 beëindigd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door psychische en lichamelijke klachten niet in staat was deze functie te vervullen, onder meer vanwege beperkingen in zitten, verhoogd persoonlijk risico door werken met een soldeerbout, en onvoldoende motoriek en geheugen. Ook stelde hij dat hij geen opleiding kon volgen vanwege taalproblemen.
De Raad oordeelde dat de medische rapporten voldoende onderbouwing boden dat appellant geschikt is voor de functie. De klachten werden niet medisch objectief vastgesteld als zodanig beperkend dat de functie niet kon worden vervuld. Het verhoogd persoonlijk risico betrof alleen autorijden, niet het werken met een soldeerbout. De opleiding stelt geen hoge taaleisen en appellant heeft voldoende leervermogen. De Raad wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af wegens gebrek aan twijfel over de beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor de functie productiemedewerker industrie.