ECLI:NL:CRVB:2020:320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving bijstand vanaf 2006 en kreeg in 2012 een opschorting en daarna intrekking van zijn bijstandsuitkering wegens het niet overleggen van bankafschriften. Na bezwaar en beroep werd dit besluit bevestigd. In 2016 verzocht appellant om herziening van deze besluiten op grond van nieuwe stukken die zouden aantonen dat het college afstand had gedaan van de hersteltermijn.
De Raad beoordeelde dat deze stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden vormden, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij deze niet eerder kon overleggen. De stukken waren weliswaar onderdeel van het dossier, maar niet aan appellant verstrekt. De Raad oordeelde dat het college de herzieningsverzoeken terecht had afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb Pro.
Appellant stelde dat het college met de stukken afstand had gedaan van de hersteltermijn, maar dit was volgens de Raad een hernieuwde discussie over de oorspronkelijke besluiten, waarvoor geen grond bestond om het bestreden besluit evident onredelijk te achten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen en de intrekking van de bijstand blijft gehandhaafd.