ECLI:NL:CRVB:2020:3205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Werknemer was projectleider en meldde zich in januari 2014 ziek met myelofibrose en vermoeidheidsklachten. Na een stamceltransplantatie hervatte hij deels zijn werk. Een verzekeringsarts stelde vast dat werknemer beperkingen had, maar dat verbetering mogelijk was. Het UWV wees een WIA-uitkering af wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Na ziekenhuisopname wegens longontsteking in januari 2016 werd werknemer alsnog voor een loongerelateerde WGA-uitkering erkend als 100% arbeidsongeschikt. Appellante stelde dat werknemer recht had op een IVA-uitkering wegens duurzame arbeidsongeschiktheid, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de beperkingen niet duurzaam waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat de verzekeringsarts terecht rekening hield met de verwachting dat de medische situatie zou verbeteren na de longontsteking. Latere ziekenhuisopnames en complicaties leiden niet tot een andere conclusie, mede omdat werknemer na deze opnames weer heeft gewerkt. De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de weigering van de IVA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat werknemer volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.