ECLI:NL:CRVB:2020:3209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds april 2012 arbeidsongeschikt en ontving vanaf april 2014 een loongerelateerde WIA-uitkering. Na een herbeoordeling door het UWV werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid op 12 november 2017 minder dan 35% bedroeg, waarna de uitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De verzekeringsartsen hadden rekening gehouden met alle relevante medische informatie, waaronder het gebruik van propranolol en de bijwerkingen daarvan. De Raad onderschrijft dit oordeel en ziet geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van een urenbeperking vanwege vermoeidheid en dat het advies van een arts van A-REA ten onrechte was genegeerd. De Raad volgt het UWV echter in het standpunt dat het rapport van deze arts niet relevant is voor de WIA-beoordeling en dat de medische situatie op de datum in geding niet wezenlijk verschilde.
De Raad concludeert dat de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht is vastgesteld op minder dan 35% en bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.