ECLI:NL:CRVB:2020:3215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering op grond van onvoldoende medische beperkingen
Appellant, voormalig installateur, heeft zich ziek gemeld en een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV wees de uitkering af op grond van een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%. Appellant stelde dat zijn beperkingen werden onderschat en voerde medische rapporten aan die meer beperkingen stelden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en benoemde een deskundige die hersenletsel vermoedde. Het UWV betwistte dit op basis van inconsistenties in neuropsychologisch onderzoek en het ontbreken van medische objectivering van de klachten.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijsten van april en december 2016 adequaat zijn. De Raad volgt niet het standpunt van de deskundige vanwege onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van valide cognitieve stoornissen.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraken en concludeert dat appellant geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies, waardoor toekenning van een WIA-uitkering niet gerechtvaardigd is. Tevens is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medisch objectieve beperkingen.