Uitspraak
19 653 WAJONG
1 februari 2019, 18/1459 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt een Wajong-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij verzocht het UWV om zijn uitkering te mogen exporteren naar Gran Canaria, maar dit verzoek werd afgewezen. Het bezwaar van appellant werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het UWV de beleidsregels omtrent de voortzetting van Wajong-uitkeringen buiten Nederland niet onjuist of onredelijk had toegepast.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het exportverbod in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het recht op leven zoals verankerd in het EVRM, en betwijfelde de objectiviteit van de verzekeringsarts. Tevens stelde hij dat er sprake was van zwaarwegende redenen om in het buitenland te wonen vanwege medische noodzaak en een betere kwaliteit van leven door het klimaat op Gran Canaria.
De Raad volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat het exportverbod het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast. De omstandigheden van appellant, waaronder het mildere klimaat, vormden geen medische noodzaak of zwaarwegende reden. Ook werd geen schending van het EVRM vastgesteld en was er geen sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling ten opzichte van andere uitkeringsgerechtigden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het UWV om de Wajong-uitkering te exporteren wordt bevestigd.