ECLI:NL:CRVB:2020:3245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bevestigd
Appellant was werkzaam als horecamedewerker en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na een initiële toekenning van een loongerelateerde WIA-uitkering op basis van beperkingen, heeft het UWV deze uitkering herroepen na een herbeoordeling waarbij enkele beperkingen werden komen te vervallen. De arbeidsdeskundige stelde dat voldoende functies beschikbaar waren, waardoor de arbeidsongeschiktheid op 0% werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch oordeel zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende had gemotiveerd, met name over psychische beperkingen en de invloed van cannabisgebruik, en dat de arbeidskundige beoordeling onvoldoende was betrokken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig en goed gemotiveerd is uitgevoerd. De wijzigingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn inzichtelijk en de stelling dat cannabisgebruik de beperkingen zou vergroten is niet onderbouwd. Ook is de toelichting over werktijden adequaat gegeven. De arbeidsdeskundige heeft uitgebreid gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend zijn.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.