Uitspraak
19.3468 ZW
27 juni 2019, 19/672 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
4 mei 2017 heeft zij zich ziek gemeld met duizeligheidsklachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als cateringmedewerker, meldde zich ziek met duizeligheidsklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling werd zij belastbaar geacht met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat zij haar eigen werk niet kon verrichten, maar wel geschikt was voor andere functies, waardoor haar verdiencapaciteit werd vastgesteld op minimaal 65% van haar maatmaninkomen.
Het UWV besloot de ZW-uitkering voort te zetten, maar na bezwaar van de werkgever werd een nieuwe beoordeling uitgevoerd. Deze leidde tot de conclusie dat appellante haar volledige verdiencapaciteit had behouden, waarna het UWV haar uitkering beëindigde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat de medische beoordeling juist was en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat haar beperkingen door haar Obsessieve Compulsieve Stoornis (OCS) werden onderschat. De Raad volgde echter de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd en dat appellante geen nieuwe objectieve medische stukken had ingediend die tot een ander oordeel zouden leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de beëindiging van de ZW-uitkering per 29 december 2018 en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd per 29 december 2018.