ECLI:NL:CRVB:2020:3256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin het beroep van appellante tegen een herzieningsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ongegrond werd verklaard. Het college had de bijstand van appellante herzien en teruggevorderd over de periode van 13 april 2016 tot en met 30 november 2016, omdat zij op geld waardeerbare werkzaamheden voor een bedrijf had verricht zonder dit te melden, wat in strijd is met haar inlichtingenverplichting.
Appellante erkende werkzaamheden te hebben verricht tot 18 mei 2016, maar stelde daarna vanwege de zorg voor haar zieke vader en het overlijden van haar vader en ex-zwager niet meer te hebben gewerkt. Zij ondersteunde dit met medische gegevens, verklaringen en een notitie van een klantmanager. Desondanks oordeelde de Raad dat er voldoende feitelijke grondslag was voor het standpunt van het college dat appellante ook na 18 mei 2016 werkzaamheden had verricht. De verklaring van appellante tijdens een hoorzitting op 24 oktober 2017, waarin zij gedetailleerd haar werkzaamheden beschreef zonder melding van haar familieomstandigheden, was doorslaggevend.
De Raad stelde vast dat de werkroosters van het bedrijf, ondanks betwisting door appellante, betekenis hebben en dat de werkzaamheden als op geld waardeerbare werkzaamheden moeten worden aangemerkt, ongeacht de intentie of daadwerkelijke inkomsten. De eerdere uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.