Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:329

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2020
Publicatiedatum
18 februari 2020
Zaaknummer
17/5182 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf

Appellant heeft meerdere aanvragen om algemene en bijzondere bijstand ingediend, die door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn afgewezen wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres en onduidelijkheid over zijn financiële situatie.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wel degelijk op het adres woonde en dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden, onder meer door meer post en boodschappen, en een andere financiële situatie.

De Raad oordeelt dat appellant niet voldoende heeft aangetoond dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had gedurende de relevante periode. Zijn frequente aanwezigheid bij zijn ex-partner en het ontbreken van overtuigend bewijs leiden tot bevestiging van de eerdere afwijzing. Ook het verzoek om huisbezoek en de vergelijking met een latere aanvraag die wel werd toegewezen, overtuigen niet.

Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder toekenning van proceskosten.

Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres.

Uitspraak

17.5182 PW

Datum uitspraak: 18 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 mei 2017, 16/10062 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaak 17/4086 PW plaatsgehad op 3 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath. In de zaak 17/4086 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 2 mei 2016 heeft het college de aanvraag van appellant van 25 januari 2016 om algemene bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) afgewezen. Na bezwaar en beroep heeft de Raad in hoger beroep bij uitspraak van heden, registratienummer 17/4086 PW, beslist dat het college deze aanvraag terecht heeft afgewezen. De Raad heeft het college gevolgd in zijn standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres [adres] (opgegeven adres) en dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie, zodat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
1.2.
Appellant heeft op 20 april 2016 bijzondere bijstand ingevolge de PW voor de eigen bijdrage rechtshulp aangevraagd. Bij besluit van 1 juni 2016 (besluit 1) heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.3.
Op 20 mei 2016 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor eigen bijdrage rechtshulp. Bij besluit van 16 augustus 2016 (besluit 2) heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.4.
Op 29 juni 2016 heeft appellant algemene bijstand ingevolge de PW aangevraagd. Bij besluit van 5 september 2016 (besluit 3) heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.5.
Bij besluit van 14 november 2016 (bestreden besluit) heeft het college de tegen de besluiten 1, 2 en 3 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant bij zijn aanvraag om bijstand van 29 juni 2016 niet heeft aangetoond dat sprake is van wijziging van omstandigheden ten opzichte van de afwijzing van zijn aanvraag van 25 januari 2016 in die zin dat hij nu wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. De aanvragen om bijzondere bijstand van 20 april 2016 en 20 mei 2016 heeft het college afgewezen omdat appellant geen volledige inlichtingen heeft verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Aanvraag van 29 juni 2016
4.1.
De hier te beoordelen periode loopt van 29 juni 2016, de datum waarop appellant bijstand heeft aangevraagd, tot en met 5 september 2016, de datum van het besluit tot afwijzing van de aanvraag.
4.2.
Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Ook ten aanzien van besluiten tot afwijzing van een aanvraag om bijstand na een eerdere intrekking van de bijstand heeft dit gewijzigde toetsingskader gevolgen (uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:365). Nu het college in het bestreden besluit de beoordeling van de aanvraag heeft beperkt tot de vraag of appellant heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zij over de te beoordelen periode wel voldoen aan de voorwaarden voor het recht op bijstand wordt de beoordeling van de Raad ook daartoe beperkt.
4.3.
Appellant heeft niet aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij in de hier te beoordelen periode wel voldeed aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Weliswaar heeft appellant bij zijn aanvraag van 29 juni 2016 vermeld dat hij meer boodschappen en post in huis heeft dan tijdens de vorige aanvraag, dat hij thuis ook kookt en dat hij een andere televisie heeft en foto’s van onder meer kasten gevuld met levensmiddelen bij zijn aanvraag gevoegd, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat appellant vanaf de aanvraag daadwerkelijk zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Daarbij is bovendien van belang dat appellant tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft verklaard dat hij vaak in de woning van zijn ex-partner is om daar te eten, te internetten of om daar gewoon “te zijn”, dat hij daar vijf keer per week komt, ook in het weekend, en dat hij daar ook vaak overdag is als zijn ex-partner niet thuis is. Deze omstandigheden bieden, in het licht van het toe te passen toetsingskader, reeds voldoende grondslag voor het oordeel dat appellant niet heeft aangetoond dat sprake was van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij in de te beoordelen periode wel op het opgegeven adres woonde. Gelet hierop kan het betoog van appellant dat het college een huisbezoek aan zijn adres had moeten afleggen en dat sprake was van een gewijzigde financiële situatie buiten bespreking blijven.
4.4.
Appellant heeft verder aangevoerd dat er geen aantoonbaar verschil is tussen de situatie ten tijde van de onderhavige aanvraag en die ten tijde van een hierop volgende aanvraag van 8 september 2016 die wel tot toekenning van bijstand leidde. Deze beroepsgrond slaagt niet, al omdat appellant bij de aanvraag van 8 september 2016 heeft verklaard met een lagere frequentie bij zijn ex-partner in de woning te verblijven zodat geen sprake is van vergelijkbare situaties.
Aanvragen van 20 april 2016 en 20 mei 2016
4.5.
Appellant heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand van 20 april 2016 en 20 mei 2016 zodat die verder geen bespreking behoeven.
4.6.
Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van R. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2020.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) R. Koopman