ECLI:NL:CRVB:2020:3321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op minder dan 35 procent door UWV
Appellant, werkzaam als glaszetter, viel uit na een bedrijfsongeval en ontving een WIA-uitkering. Het UWV stelde na herbeoordeling vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en trok de uitkering per 1 juni 2017 in. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, waarbij hij medische beperkingen en ongeschiktheid voor geselecteerde functies aanvoerde.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig was en dat de belastbaarheid van appellant juist was ingeschat. De beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werden als passend beschouwd en de geselecteerde functies overschreden de belastbaarheid niet. Appellant leverde aanvullende medische informatie, maar deze leidde niet tot een ander oordeel.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de zorgvuldigheid van het UWV-onderzoek en de juistheid van de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad constateerde dat het UWV de motiveringsplicht van artikel 7:12 Awb Pro had geschonden bij het tweede bestreden besluit, maar dat deze schending niet tot benadeling had geleid en derhalve werd gepasseerd. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin de rechtbank het beroep tegen het eerste bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaarde en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op minder dan 35%, waardoor de WIA-uitkering terecht is ingetrokken.