ECLI:NL:CRVB:2020:3340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm bij ontbreken schriftelijke huurovereenkomst en niet-betaling huur
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf aan bij familie of kennissen te wonen. Het college wees de aanvraag af, waarna de rechtbank het besluit vernietigde en het college opdroeg een nieuwe beslissing te nemen. Het college kende bijstand toe met toepassing van de kostendelersnorm, omdat geen schriftelijke huurovereenkomst was overgelegd en appellante geen huur betaalde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat niet was aangetoond dat een commerciële huurprijs werd betaald. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er wel sprake was van een commerciële huurprijs, maar dat zij de huur niet kon betalen. Zij overhandigde een verklaring met een mondelinge huurovereenkomst die achteraf schriftelijk was vastgelegd.
De Raad oordeelde dat het schriftelijkheidsvereiste uit artikel 19a PW essentieel is om de toepassing van de kostendelersnorm te voorkomen. Omdat appellante geen schriftelijke overeenkomst kon overleggen en geen huur betaalde, was de kostendelersnorm terecht toegepast. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kostendelersnorm terecht is toegepast vanwege het ontbreken van een schriftelijke huurovereenkomst en het niet betalen van huur.