ECLI:NL:CRVB:2020:3344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand na weigering medewerking huisbezoek en waarnemingen woon- en leefsituatie
Appellante ontving sinds april 2016 bijstand als alleenstaande ouder. Na een melding dat zij mogelijk samenwoonde met X, voerde het dagelijks bestuur een onderzoek uit met waarnemingen rondom haar woning en een verzoek tot huisbezoek. Appellante weigerde medewerking aan het huisbezoek, waarna de bijstand werd ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de waarnemingen stelselmatig waren en onrechtmatig inbreuk maakten op haar privéleven, en dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek. De Raad oordeelde dat de waarnemingen beperkt en kortdurend waren, en dat artikel 53a PW een toereikende wettelijke grondslag bood.
Verder was er op grond van de waarnemingen reden om te twijfelen aan de juistheid van de opgave dat zij alleen met haar kinderen woonde. Een huisbezoek was daarom gerechtvaardigd en de weigering tot medewerking kon leiden tot intrekking van de bijstand. Een nieuw aangevoerde grond over informed consent werd niet ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens weigering medewerking aan het huisbezoek wordt bevestigd.