Uitspraak
17.8138 WAJONG
OVERWEGINGEN
8 september 2008 en 22 december 2008 is uitgegaan. In wat appellant heeft aangevoerd wordt daarom geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft sinds 2008 meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, welke steeds zijn afgewezen door het UWV op basis van medische rapporten die beperkingen als gevolg van een gedragsstoornis en later een persoonlijkheidsstoornis vaststellen.
In 2016 verzocht appellant het UWV terug te komen op eerdere besluiten, onderbouwd met een psychologisch rapport uit 2012. Het UWV wees dit verzoek af omdat het rapport niet als nieuw feit werd beschouwd en de beperkingen niet wezenlijk anders waren dan eerder vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, waarbij wordt benadrukt dat een nieuwe diagnose van een al bekende aandoening geen nieuw feit is en dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd.
Ook het beroep op schending van het equality of arms-beginsel faalt, omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat het ontbreken van een onafhankelijke deskundige zijn procespositie heeft geschaad. De Raad bevestigt de afwijzing van het verzoek en de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot afwijzing van de Wajong-uitkering wordt terecht afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.