ECLI:NL:CRVB:2020:3359
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WIA
Appellante, werkzaam als beslisser claim WW, meldde zich in december 2013 ziek met pijn- en moeheidsklachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in augustus 2015 kende het UWV haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 61,93%. Na een herbeoordeling in 2017 handhaafde het UWV dit percentage. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van mei 2017 juist was vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat haar fysieke beperkingen, met name in hand- en vingergebruik, waren onderschat. Zij bracht nieuwe medische stukken in, waaronder een brief van haar reumatoloog en een rapport van een verzekeringsarts. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beoordeling overtuigend had gemotiveerd en dat de nieuwe stukken geen aanleiding gaven tot een andere conclusie. De beperkingen in de FML waren passend, en de geselecteerde functies waren medisch geschikt.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante juist is vastgesteld op 61,93% en wijst het hoger beroep af.