ECLI:NL:CRVB:2020:3369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde handel en stortingen
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet van augustus 2015 tot december 2016. Het dagelijks bestuur stelde na onderzoek vast dat meerdere motorvoertuigen op naam van appellant stonden geregistreerd en dat er diverse stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekeningen plaatsvonden die niet waren gemeld.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand in voor bepaalde maanden vanwege niet gemelde handelstransacties met voertuigen en herzag de bijstand voor andere maanden vanwege niet gemelde inkomsten uit stortingen. Tevens werd een bedrag van €14.096,18 teruggevorderd.
Appellant betwistte de handel en stelde dat sommige voertuigen niet van hem waren en dat de stortingen leningen voor levensonderhoud betroffen. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur aannemelijk had gemaakt dat appellant handel dreef in voertuigen en zijn inlichtingenverplichting had geschonden. Verder kon appellant niet aannemelijk maken dat de stortingen leningen waren, omdat geen afspraken of bewijs daarvoor waren overgelegd.
De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en verwierp het hoger beroep van appellant. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde handel en stortingen.