ECLI:NL:CRVB:2020:3381

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2020
Publicatiedatum
24 december 2020
Zaaknummer
20-478 ANW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid verzoek om herziening in sociale zekerheidszaak ongegrond verklaard

Verzoekster had een verzoek om herziening ingediend tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2019. Dit verzoek werd op 18 juni 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Verzoekster stelde in verzet dat zij het griffierecht wel had betaald en vroeg om een nieuwe nota. Tijdens de zitting van 11 december 2020 waren beide partijen niet aanwezig.

De Raad oordeelde dat in het verzet geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die konden leiden tot het oordeel dat verzoekster niet in verzuim was geweest. Het griffierecht was niet ontvangen en verzoekster had geen bewijs van betaling overgelegd. De wet biedt geen mogelijkheid om een nieuwe betalingstermijn te gunnen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.C. Boeree in aanwezigheid van griffier R. van Doorn op 23 december 2020.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 23 december 2020
20/478 ANW, 20/479 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2019, 19/2629, 19/2630 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van 18 juni 2020 heeft de Raad het door verzoekster ingestelde verzoek om herziening tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekster heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 11 december 2020. Beide partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 18 juni 2020 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 2 maart 2020 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekster niet in verzuim is geweest.
In verzet geeft verzoekster te kennen dat zij het griffierecht heeft betaald. Ook vraagt verzoekster om een nieuwe nota toe te zenden.
De Raad is van oordeel dat in verzet geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat verzoekster niet in verzuim is geweest. Het griffierecht is niet bij de Raad ontvangen en verzoekster heeft betaling niet met bewijsstukken onderbouwd. De wet biedt geen mogelijkheid om verzoekster een nieuwe termijn voor betaling van het griffierecht te gunnen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) R. van Doorn