ECLI:NL:CRVB:2020:3385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te laat betalen griffierecht ongegrond verklaard
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellante had verzocht om vrijstelling van betaling, maar dit verzoek werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de criteria van betalingsonmacht.
In het verzet stelde appellante dat de afwijzingsbrief over het verzoek om vrijstelling naar haar persoonlijk was gestuurd, terwijl de nota naar haar gemachtigde was verzonden. Zij had het griffierecht binnen de termijn betaald aan haar advocaat, maar deze betaling werd pas na het verstrijken van de termijn op het kantoor van de advocaat opgemerkt.
De Raad oordeelde dat ondanks de verwarring over de verzending van de brieven, er voldoende tijd was om het griffierecht tijdig te voldoen. De advocaat had ook contact gehad met de Raad en wist van de afwijzing van het verzoek om vrijstelling. Het risico van te late betaling komt voor rekening van appellante. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard, maar het te laat betaalde griffierecht werd terugbetaald.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens te late betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.