ECLI:NL:CRVB:2020:3398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Appellant 1 ontving bijstand sinds 2007 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres, terwijl appellant 2 op een ander adres stond ingeschreven. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente Groningen een onderzoek, waaruit bleek dat appellant 2 feitelijk bij appellant 1 verbleef en dat zij een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden.
De gemeente trok de bijstand van appellant 1 met ingang van 1 januari 2017 in en vorderde de kosten terug, mede van appellant 2. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat appellant 2 vanwege zorgbehoefte tijdelijk verbleef en dat er geen sprake was van wederzijdse zorg.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf van appellant 2 bij appellant 1 lag en dat er sprake was van wederzijdse zorg, onder meer doordat appellant 2 financieel bijdroeg en meehielp in het huishouden. De motieven en aard van de relatie zijn niet relevant voor het bepalen van het hoofdverblijf. De intrekking van de bijstand en terugvordering zijn daarom terecht. De verzoeken tot schadevergoeding worden afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.