Appellante ontving een terugvorderingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, waarin een bedrag van € 5.022,71 werd teruggevorderd wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met A. Het college verklaarde het bezwaar van appellante tegen dit besluit niet-ontvankelijk omdat het bezwaar te laat was ingediend.
Appellante stelde dat zij het besluit nooit had ontvangen en pas op 16 januari 2019 bekend was met het besluit toen zij een afschrift ontving als bijlage bij een brief van het college. Het college kon niet aantonen dat het besluit op 19 januari 2017 op het juiste adres was verzonden, omdat er geen deugdelijke verzendadministratie was. Ook de door het college aangevoerde contra-indicaties, zoals het achterhouden van post door A en contact met de gemeente over beslag op inkomen, waren onvoldoende om aan te nemen dat appellante het besluit eerder had ontvangen.
De Raad oordeelde dat het bezwaar tijdig was ingediend en dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het college werd opgedragen een nieuwe inhoudelijke beslissing te nemen op het bezwaar. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.