ECLI:NL:CRVB:2020:3410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf door extreem laag waterverbruik
Appellant ontving sinds 2009 bijstand, maar het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland trok deze in per 31 mei 2017 wegens het niet verstrekken van gevraagde gegevens. Appellant diende een nieuwe aanvraag in, die werd afgewezen omdat hij zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres zou hebben. Dit werd onderbouwd met een extreem laag waterverbruik van gemiddeld 2 m³ per jaar, wat de vooronderstelling rechtvaardigt dat de woning niet bewoond is.
Appellant voerde aan dat zijn sobere levensstijl het lage waterverbruik verklaart, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en Nibud-gegevens waaruit blijkt dat zelfs minimaal toiletgebruik meer water verbruikt dan appellant opgeeft. Ook het ontbreken van verse etenswaren bij een huisbezoek ondersteunt het standpunt van het college.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het college in het toekenningsbesluit van 2009 expliciet aangaf dat het waterverbruik voorafgaand aan de aanvraag niet relevant was. Appellant kon daarom niet redelijkerwijs verwachten dat het lage waterverbruik later niet zou worden meegewogen.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd wegens ontbreken hoofdverblijf op het uitkeringsadres.