ECLI:NL:CRVB:2017:3354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand vanaf december 2010, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde, voerde de gemeente een onderzoek uit waarbij onder meer het extreem lage water-, gas- en elektriciteitsverbruik werd vastgesteld. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van €53.772,63 over de periode van maart 2011 tot november 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellant zijn stellingen dat hij zuinig leefde, veel buitenshuis verbleef en door depressie weinig gebruik maakte van het uitkeringsadres. De Raad oordeelde dat het extreem lage waterverbruik en de lage energieconsumptie niet verklaard konden worden door appellant en dat zijn verklaringen onvoldoende geloofwaardig waren.
De Raad stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had en dat hij de inlichtingenplicht had geschonden. Ook waren er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, mede gelet op het feit dat intrekking verplicht is en terugvordering niet tot onaanvaardbare gevolgen leidt. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees proceskosten af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en geen dringende redenen voor afzien van terugvordering zijn aangetoond.