ECLI:NL:CRVB:2020:3416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening ongehuwdenpensioen naar gehuwdenpensioen en terugvordering AOW door gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen sinds respectievelijk december 1999 en juli 2001 een ongehuwdenpensioen ingevolge de AOW. In januari 2017 meldde appellante dat zij met appellant samenwoonde, wat ook door appellant werd bevestigd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) startte in augustus 2017 een onderzoek naar de woonsituatie en constateerde dat appellanten sinds 1 januari 2017 een gezamenlijke huishouding voerden.
De Svb herzag daarop de pensioenen per 1 februari 2017 naar gehuwdenpensioen en vorderde de te veel ontvangen bedragen terug. Appellanten voerden aan dat de herziening pas vanaf 21 augustus 2017 had moeten ingaan, omdat het onderzoek toen pas startte, en beriepen zich op het vertrouwensbeginsel en de onredelijkheid van terugvordering.
De Raad oordeelde dat appellanten wisten dat zij te veel ontvingen en dat de Svb het beleid correct toepaste door de herziening met terugwerkende kracht per 1 februari 2017 te laten ingaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de Svb geen toezeggingen deed die tot een ander vertrouwen mochten leiden. Dringende redenen om af te zien van herziening of terugvordering waren niet aannemelijk. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het ongehuwdenpensioen naar gehuwdenpensioen per 1 februari 2017 en wijst het hoger beroep en verzoek tot schadevergoeding af.