ECLI:NL:CRVB:2020:3426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid voor WAO-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant ontving sinds 2001 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80%. Na ziekmelding in 2015 ontving appellant een Ziektewet-uitkering, gevolgd door een WW-uitkering. Het UWV beëindigde de ZW-uitkering en herzag de WAO-uitkering naar 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid per 1 april 2017. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, waarbij de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen en functies adequaat hadden beoordeeld. De rechtbank verwierp de stelling van appellant dat een kortere wachttijd van vier weken gold in plaats van 104 weken en dat de medische beoordeling onzorgvuldig was.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, waaronder de ongeldigheid van de uitspraak wegens ontbrekende handtekening van de griffier. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de wachttijd van 104 weken van toepassing is, dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het ontbreken van de griffiershandtekening niet tot nietigheid leidt omdat dit wettelijk is geregeld.
Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding afgewezen. De uitspraak bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist is vastgesteld en dat het UWV terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid blijft ongewijzigd.