ECLI:NL:CRVB:2020:3427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als productiemedewerker toen zij zich ziek meldde met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor zij geen recht had op een WIA-uitkering. De Ziektewet-uitkering werd toegekend maar later beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
In het geschil stond centraal of appellante op basis van haar schouder- en psychische klachten meer beperkt was dan het UWV had vastgesteld en of de voor haar geselecteerde functies passend waren. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML) adequaat waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aanvullende medische informatie aan, waaronder MRI-onderzoeken, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat deze informatie geen aanleiding gaf tot wijziging van het eerdere standpunt. Ook de stellingen over onvoldoende taalvaardigheid en opleidingsniveau werden verworpen.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren en dat appellante niet meer beperkt was dan vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering en beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.