ECLI:NL:CRVB:2020:3428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als helpende en coördinator BSO, meldde zich ziek met surmenageklachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Tevens werd haar ZW-uitkering beëindigd omdat zij geschikt werd geacht voor ten minste één geduide functie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen die het UWV vaststelde, medisch juist waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, maar de Raad volgde dit niet. De verklaringen van haar psycholoog leidden niet tot een andere conclusie, mede omdat de intensieve therapie pas na de datum in geschil begon.
De Raad bevestigde dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling was gebaseerd, medisch geschikt waren voor appellante. Ook de beëindiging van de ZW-uitkering werd terecht geacht omdat zij geschikt was voor de functie medewerker tuinbouw. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering en beëindiging van de ZW-uitkering worden bevestigd.